Column Geert Lankhorst -Wijzigingen in de toegang tot de schuldsanering per 1 januari 2019

2018 (Staatsblad 2018, 424 en 425) is van alles bijeengesprokkeld als het gaat om allerlei technische wetswijzigingen in sociale zekerheidswetgeving. Zo is de Algemene Nabestaandenwet aangepast, de Algemene Ouderdomswet, de Kinderbijslagwet, de Wet Arbeid en Zorg, de Arbeidsomstandighedenwet, de Participatiewet, de Wet op het algemeen verbindend verklaren van de CAO en de Wet op het Kindgebonden budget en de Wet op de Loonbelasting. Maar ook een tweetal wijzigingen die per 1 januari 2019 van belang zijn voor de toegang Een actueel nieuwtje van het wetgevingsfront. In de “Verzamelwet SZW” van 17 oktober tot de schuldsaneringsprocedure !

Verduidelijking bestaande praktijk

Deze wijzigingen in de Faillissementswet en in de Wet op het Consumentenkrediet zijn ter elfder ure aan het wetsvoorstel toegevoegd bij Nota van Wijziging op 5 september 2018 (TK 2017-2018, 34 977, nr. 5). Het werd rap door de Tweede en Eerste Kamer aanvaard, en dus traden deze onderdelen reeds in werking per 1 januari 2019. Heeft U het soms gemist ? Er zijn ergere dingen. Want volgens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verandert de wetswijziging weinig of niets aan de bestaande praktijk, dat gemeenten bepaalde private instellingen inschakelen voor de schuldbemiddeling, maar is slechts een verduidelijking van de regels beoogd (Nota naar aanleiding van het Verslag, 2018-2019, 34 977, nr. 7, blz. 8-11). Het lijkt dus eerder een codificatie (de wet legt vast welke goede praktijk geldt) dan een modificatie (de wet verandert en de praktijk moet volgen).

Verruiming vrijstelling schuldbemiddelingsverbod

Ten eerste wordt de vrijstelling van het schuldbemiddelingsverbod uit artikel 47 Wet op het consumentenkrediet iets geliberaliseerd. In artikel 48 lid 1 sub b van de Wet op het consumentenkrediet wordt namelijk de oude frase  «andere door gemeenten gehouden instellingen, die zich krachtens hun doelstelling met schuldbemiddeling bezighouden» vervangen door een nieuwe en ruimere frase «instellingen, die zich in opdracht en voor rekening van gemeenten met schuldbemiddeling bezighouden». In het kader van de schuldhulpverleningstaak verleent de gemeente zelf schuldbemiddeling. Veel gemeenten schakelen voor de uitvoering van deze taak echter ook private schuldbemiddelingsinstanties in. Deze private schuldbemiddelaars die door gemeenten worden ingeschakeld, staan niet genoemd in artikel 48, eerste lid, Wck.

Publieke controle en kwaliteitsgarantie

Het was ooit de gedachte van de wetgever dat de wettelijk vastgelegde waarborgen in combinatie met de publieke controle een zekere kwaliteitsgarantie van de schuldbemiddeling biedt. Maar die gaat zich nu dus ook uitstrekken tot die private instanties die door de gemeente worden ingeschakeld. Het feit dat het de gemeentelijke overheid is die de opdracht geeft aan de instelling, maakt dat de gemeente de kwaliteit van schuldbemiddeling kan bewaken en waar nodig kan ingrijpen. Al dan niet via de gemeenteraad. De gemeente draagt eveneens de kosten voor de schuldbemiddeling, waardoor wordt voorkomen dat de schuldenaar wordt geconfronteerd met hoge kosten als gevolg van de schuldbemiddeling. De toelichting zegt het helaas niet, maar de schuldeiser heeft daar ook een duidelijk belang bij, want verdere kosten voor de schuldenaar gaan meestal ook ten koste van de aflossing aan de schuldeisers.

Toegang tot de wettelijke schuldsaneringsregeling en afgifte 285-modelverklaring

Verder wordt door de wetgever geregeld dat deze private schuldbemiddelingsinstanties – nadat zij daartoe mandaat hebben gekregen van de gemeente – ook de modelverklaring van artikel 285 lid 1 sub f Fw kunnen afgeven, die nodig is voor de schuldenaar om toegelaten te worden tot de Wsnp. Het hangt dus af van de opdrachtverlening door een gemeente. Hopelijk komt daar wel wat uniformiteit in. Artikel 285 Fw wordt daartoe in lid 1 gewijzigd. Bij de toegang tot de schuldsaneringsregeling in artikel 288 lid 2 sub b Fw is bepaald dat het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen indien de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, Wck. Deze lijn wordt doorgetrokken naar artikel 287a Fw (verzoek dwangakkoord) en ook naar artikel 287b Fw (minnelijk moratorium verzoek). Artikel 287a Fw krijgt daarom een nieuw zevende lid, luidende: 7. De rechtbank wijst het verzoek af indien de schuldbemiddeling niet wordt uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet.

Regelgevend arrest Hoge Raad

Tenslotte nog een stukje herhaling van theorie die bij de goede bewindvoerder allang bekend is. De Hoge Raad heeft in november 2010 een uitspraak gedaan over toelating tot de schuldsanering (ECLI:NL:HR:BN8056, NJ 2011/31). Daarin bepaalde de hoogste rechter dat “een redelijke wetstoepassing meebrengt dat” de verklaring van artikel 285 lid 1 sub f Fw niet alleen door de gemeente maar ook kan worden afgegeven door personen als bedoeld in artikel 48, eerste lid, onderdeel c, Wck. Dat wil zeggen door advocaten, curatoren, schuldsaneringsbewindvoerders of bewindvoerders van Boek 1 BW (professioneel beschermingsbewind), maar ook bijvoorbeeld notarissen, gerechtsdeurwaarders, registeraccountants en accountants-administratieconsulenten. Belangrijk daarbij is volgens de Hoge Raad dat de verklaring “een betrouwbaar kompas” vormt voor de rechter bij de toegangsbeoordeling of in voldoende mate een minnelijke regeling is beproefd.

Codificatie rechtersrecht

Aangezien de genoemde personen uit hoofde van hun beroep of aanstelling bevoegd zijn zich op professionele wijze bezig te houden met schuldbemiddeling (en een afgebakende beroepsgroep vormen met wettelijk gereguleerde kwaliteitseisen) worden zij daartoe bekwaam geacht. De wetstekst liep achter bij dit regelgevende arrest van de Hoge Raad. Gecodificeerd wordt nu dit bestaande rechtersrecht dat op grond van artikel 285 lid 1 sub f Fw ook zij bevoegd zijn om een verklaring af te geven dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Het betreft wettelijk afgebakende beroepsgroepen, welke beroepsuitoefening met diverse waarborgen zijn omkleed zodat ook zij de rechter vanuit hun expertise mogen voorlichten over de situatie van de verzoeker, teneinde zo een goede toegang tot de schuldsaneringsregeling te verzekeren.

Bronnen: Nota van Wijziging d.d. 5 september 2018 (TK 2017-2018, 34 977, nr. 5), Nota naar aanleiding van het Verslag d.d. 21 september 2018 (TK 2018-2019, 34 977, nr. 7); Wet van 17 oktober 2018 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid alsmede enkele wetten van andere ministeries (Verzamelwet SZW 2019, Staatsblad 2018, 424), onderdelen VA en XXVIA; inwerkingtreding per 1 januari 2019 bij Besluit van 8 november 2018, Staatsblad 2018, 425.

Voor de fijnproevers volgt hieronder de tekst van de wetswijzigingen.

  • De Faillissementswet wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 285 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel f, wordt aan het slot van de eerste zin voor de punt toegevoegd «of een persoon als bedoeld in artikel 48, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op het consumentenkrediet» en wordt in de tweede zin «Wet financiële dienstverlening» vervangen door «Wet financieel toezicht», alsmede «of aan krachtens artikel 48, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op het consumentenkrediet aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen, dan wel categorieën daarvan» door «, aan instellingen als bedoeld in artikel 48, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het consumentenkrediet of aan krachtens het eerste lid, onderdeel d, van dat artikel aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen, dan wel categorieën daarvan».

2. In het tweede lid wordt na «kredietbank» ingevoegd «, een daartoe gemandateerde instelling als bedoeld in artikel 48, onderdeel b, van de Wet op het consumentenkrediet.

Aan artikel 287a wordt onder vernummering van het zevende tot achtste lid een nieuw lid ingevoegd, luidende:

7. De rechtbank wijst het verzoek af indien de schuldbemiddeling niet wordt uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet.

Artikel 287b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt «en vierde lid» vervangen door «, vierde en zevende lid».

2. In het zesde lid wordt «Wet financiële dienstverlening» vervangen door «Wet financieel toezicht» alsmede «een krachtens artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet aangewezen natuurlijke persoon of rechtspersoon, dan wel categorie daarvan,» door «een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet».

  • De Wet op het Consumentenkrediet wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 48, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het consumentenkrediet wordt «andere door gemeenten gehouden instellingen, die zich krachtens hun doelstelling met schuldbemiddeling bezighouden» vervangen door «instellingen, die zich in opdracht en voor rekening van gemeenten met schuldbemiddeling bezighouden».

Vorig bericht
Ombudsman – “Invorderen vanuit het burgerperspectief”
Volgend bericht
Valse bankafschriften?

Gerelateerde berichten

Niets gevonden.

Menu