Column Geert Lankhorst – Voorlopige voorziening; verbod om hangende schuldsaneringsaanvraag over te gaan tot aangezegde openbare verkoop inboedel

Nieuws

In deze casus moest volgens de rechtbank het minnelijke schuldhulptraject nog afgerond worden. Een openbare verkoop van de inboedel zou de stabilisatie en het minnelijk traject doorkruisen. De rechtbank vond het niet onaannemelijk dat het WSNP verzoek zou worden toegewezen, dit ondanks vraagtekens bij de omstandigheid dat verzoekster bestuurder/directeur is van de vennootschap waar zij in loondienst is. De goede trouw lijkt dus slechts marginaal te worden getoetst bij dit Vovo-verzoek.

Wat aan de zaak voorafging

Op 26 januari 2021 heeft verzoekster A gevraagd om een voorlopige voorziening (art. 287 vierde lid Fw), met daarbij ook een verzoek schuldsanering. Het verzoek strekt ertoe dat aan verweerders wordt verboden over te gaan tot de openbare verkoop van de roerende zaken van A, aangezegd door de deurwaarder op 11 januari 2021 en voorzien op 29 januari 2021 om 10:00 uur. Ter terechtzitting zijn verschenen A en haar schuldhulpverlener. Namens de verwerende erfgenamen van de schuldeiser is een gerechtsdeurwaarder verschenen.

Bij notariële akte, opgemaakt op 20 februari 2019, heeft A verklaard aan erflater wegens geldlening € 44.000,- verschuldigd te zijn, bestaande uit een bedrag groot € 41.000,00, dat rentedragend is tegen een rente van 5% op jaarbasis en een bedrag € 3000,00, dat geen rente draagt. Op 19 december 2019 heeft de deurwaarder namens de erflater executoriaal beslag gelegd op de roerende zaken, toebehorende aan A, welke zaken zich in haar woning bevonden. Tussen partijen is overeengekomen dat A maandelijks het rentebedrag van € 170,00 zou voldoen. In mei 2020 heeft A zich gewend tot de gemeente om een minnelijke regeling te beproeven met alle schuldeisers, waaronder erflater. A heeft de rentebetalingen gestaakt per september 2020, op aanraden van de schuldhulpverlener. Op 27 november 2020 is erflater overleden. Op 11 januari 2021 heeft de deurwaarder op verzoek van de erfgenamen van erflater de openbare verkoop van bovengenoemde roerende zaken aangezegd.

Voorlopige voorziening en spoedeisend belang

De voorlopige voorziening van art. 287 lid 4 Fw komt niet heel vaak voor in de praktijk, maar heeft wel een belangrijke functie om vooruitlopend op een WSNP de stand van zaken alvast te bevriezen, de situatie van de schuldenaar stabiel te houden en de schuldeisers gelijke kansen te geven. In dat artikel is bepaald dat de rechtbank in spoedeisende zaken bevoegd is een voorlopige voorziening te geven. Sprake moet zijn van een spoedeisend belang. Bovendien dient niet onaannemelijk te zijn dat het ingediende verzoek schuldsanering zal worden toegewezen. Met andere woorden: er moeten niet nu al contra-indicaties zijn die aan toelating tot de WSNP in de weg staan. Voor de rechtbank staat vast dat A een spoedeisend belang heeft, nu de openbare verkoop van haar roerende zaken is voorzien op 29 januari 2021.

Kans op toelating WSNP

De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat het verzoek schuldsanering zal worden toegewezen. Vaststaat dat A zich in mei 2020 heeft aangemeld bij de gemeente voor schuldhulpverlening. Toen is onderzocht of zij, die in het verleden eenmanszaken had (kapsalons) niet meer als ondernemer staat ingeschreven in het handelsregister en toen is gerealiseerd dat de vennootschappen waarvan zij bestuurder was zijn ontbonden. Van één vennootschap is het faillissement nog niet afgewikkeld, in afwachting van de procedure tot toelating schuldsanering. De curator in dit faillissement heeft een vordering ingediend bij de schuldhulpverlener. De schulden van A zijn geïnventariseerd en de schuldeisers zijn aangeschreven. Op de crediteurenlijst staan 17 schuldeisers die totaal een schuldenlast van maar liefst € 481.766,44 vertegenwoordigen. Er is dus sprake van een problematische schuldensituatie. A werkt full time en verdient een netto inkomen van € 1627,00 per maand. Zij woont samen met een partner die een netto inkomen heeft van € 1500,00 per maand. Haar inwonende zoon draagt bij in de huishouding met € 200,00 per maand. Hoewel de huur van de woning hoog is (€ 1100,00 per maand) is het gezinsinkomen voldoende om de vaste lasten te betalen, zo redeneert de rechtbank. De schuldhulpverlener heeft bevestigd dat de financiële situatie op dit moment stabiel is.

Zeggenschap inkomsten

Is hier geen sprake van “hybride ondernemen” ? De rechtbank onderkent dat vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de omstandigheid dat A zelf bestuurder en directeur is van de vennootschap waar zij op dit moment in loondienst is. Dit sluit niet uit dat zij zelf zeggenschap heeft over de hoogte van haar inkomen, waarna de vraag rijst of zij zich wel maximaal inspant om de schuldeisers tegemoet te komen. De vennootschap exploiteert een restaurant, waarvan de omzet wordt gegenereerd door het bezorgen van maaltijden. Aannemelijk is dat het inkomen dat A verdient marktconform is, nu de restaurants zijn gesloten (het was begin 2021) in verband met de maatregelen om de coronapandemie te bestrijden. Dat dit nog zo zal zijn op het moment dat het verzoek schuldsanering zal worden behandeld is daarmee nog niet gegarandeerd. A heeft toegezegd dat zij – voorafgaande aan de zitting waarin haar verzoek tot toelating tot de WSNP zal worden behandeld – inzage zal geven in de omzetcijfers van de vennootschap. Kennelijk waren die op de toelatingszitting niet reeds beschikbaar, al dan niet via de curator. De lening was slechts twee jaar oud en betrof geen gering bedrag, dus een volle goede trouw toets in het kader van het schuldsaneringsverzoek (na afloop van de Vovo-termijn) lijkt wel wenselijk.

Belangenafweging

De rechtbank onderkent dat verweerders belang hebben bij de openbare verkoop van de inboedel. Dat de inboedel bovenmatig is omdat deze mede zou bestaan uit zilveren voorwerpen is door A op de zitting gemotiveerd betwist. Naar het oordeel van de rechtbank weegt het belang van A mede daarom op dit moment zwaarder. Verkoop zou immers leiden tot de noodzaak om een nieuwe inboedel aan te schaffen, hetgeen de stabiliteit van de financiële situatie zou aantasten. Dit zou de lopende pogingen om een minnelijke regeling tot stand te brengen, doorkruisen en volgens de rechtbank ook toelating tot de WSNP (kunnen) verhinderen.

Eindbeslissing

Het verzoek toelating schuldsanering kan nog niet worden afgedaan, nu het minnelijke traject nog niet is afgerond. Voor de verdere behandeling van het verzoek moet een compleet verzoekschrift schuldsanering worden aangeleverd, met inzicht in de omzetcijfers van de vennootschap waarvan A thans bestuurder en directeur is. De rechtbank verbiedt de gerechtsdeurwaarder over te gaan tot de openbare verkoop van de roerende zaken van A en bepaalt dat de voorlopige voorziening geldt totdat de uitspraak op het verzoek toelating schuldsanering in kracht van gewijsde is gegaan.

Bron: Rechtbank Den Haag 28 januari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:612

Vorig bericht
Column Geert Lankhorst – Prejudiciële vragen omtrent de wijze van boedelafwikkeling
Volgend bericht
Column Geert Lankhorst – Vermogensvergelijkingstoets bij dwangakkoord: Hoge Raad oordeelt

Gerelateerde berichten

Niets gevonden.
Menu