Column Geert Lankhorst * – Verzoek omzetting faillissement naar Wsnp toegewezen

Nieuws

Ook via het faillissement loopt er een toegangsroute tot de schuldsanering. Minnelijke schuldhulpverlening is dan een gepasseerd station. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is dan wel vervangende zekerheid nodig als voorlichting over de voorgeschiedenis voor de toelatingsrechter. In deze Rotterdamse zaak wordt ondanks een negatief omzettingsadvies van de curator en ondanks twijfels over de nakoming van de schuldsaneringsverplichtingen het faillissement van verzoekster opgeheven en wordt de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.

A is in 2018 failliet verklaard en verzoekt in 2021 omzetting in een schuldsaneringsregeling. Zij heeft zich vóór dat het faillissementsrekest was ingediend tot de gemeentelijke schuldhulpverlening gewend. Ze voert aan dat onder andere door haar taalbarrière het destijds niet is gelukt een Wsnp-verzoek in te dienen; het is niet aan haar te wijten dat zij niet tijdig na indiening van het faillissementsrekest een Wsnp-verzoek heeft ingediend. De curator heeft een negatief advies over de omzetting uitgebracht – verwijzend naar een bestuurlijke boete wegens een hennepkwekerij in de aan een derde verhuurde woning van de gefailleerde. De curator heeft verklaard dat een akkoord niet tot de mogelijkheden behoort nu een van de schuldeisers niet akkoord gaat met een regeling. De Rotterdamse rechters stonden dus voor de vraag : omzetten in een schuldsanering of niet ?

Conversie: prejudiciële vragen en uitgangspunt wetgever

De vraag van omzetting (conversie) van een faillissement naar een schuldsaneringsregeling is onderwerp geweest van prejudiciële vragen, uitmondend in een standaardarrest van de Hoge Raad (zie bron onderaan). Volgens de wetgever hebben de vereisten die gelden voor toelating tot de schuldsanering, mede tot doel om de schuldenaar te dwingen tot het uiterste te gaan om een minnelijke regeling te bereiken en om de Wsnp te laten functioneren als een laatste redmiddel (​​Kamerstukken II​ 2004-2005, 29 942, nr. 3​, p. 4-5). Dus is in art. 288 lid 2, aanhef en ​onder b​, Fw bepaald dat een verzoek schuldsanering wordt afgewezen indien de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in art. 48 ​lid 1​ Wck. Dus moet op zich ook voor een omzettingsverzoek worden aangenomen dat daarbij het vereiste geldt dat de schuldenaar met behulp van professionele schuldhulpverlening heeft geprobeerd om een buitengerechtelijke schuldregeling te treffen.

Leer van de Hoge Raad bij omzetting faillissement naar Wsnp

Maar heeft het voor een gefailleerde nog wel zin om – als zich een mogelijke omzetting aandient – een  buitengerechtelijk traject te bewandelen, zo luidde de eerste prejudiciële vraag. De tweede vraag hield daarmee verband, want als een dergelijke poging tevergeefs is, moet dat dan ook blijken uit de modelverklaring die de wet nu eenmaal eist ter afsluiting van het minnelijke voortraject ? De Hoge Raad gaf hier een duidelijk antwoord op. De gefailleerde schuldenaar die een omzettingsverzoek wil doen, is zelf als gevolg van het faillissement niet meer in staat om een buitengerechtelijke schuldregeling te “beproeven”. Een redelijke wetstoepassing brengt dan mee – aldus de Hoge Raad – dat wordt aanvaard dat bij een omzettingsverzoek een schriftelijke verklaring van de curator kan worden gevoegd, waarin is vermeld dat de curator heeft onderzocht of de gefailleerde aan zijn gezamenlijke schuldeisers een akkoord kan aanbieden en dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. ​De derde prejudiciële vraag was: welke gevolgen heeft het ontbreken van een modelverklaring van ​art. 285​ Fw bij een omzettingsverzoek? Het antwoord luidt dat de rechtbank aan de schuldenaar die een schuldsaneringsverzoek indient zonder modelverklaring een termijn van maximaal 1 maand kan gunnen om die verklaring alsnog te verstrekken. Wordt het verzuim niet tijdig hersteld, of ziet de rechtbank geen aanleiding verzoeker daartoe in staat te stellen, dan wordt de schuldenaar niet-ontvankelijk verklaard (art. 287 ​lid 2​ Fw). Hetzelfde geldt bij een omzettingsverzoek in de zin van ​art. 15b​ Fw.

Beoordeling goede trouw

De rechtbank stelt vast dat in deze Rotterdamse zaak nog geen verificatievergadering is gehouden en oordeelt dat redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat A door haar toe te rekenen omstandigheden geen Wsnp-verzoek heeft ingediend. De curator heeft verwezen naar de schuld door een bestuurlijke boete bij de gemeente Utrecht voor een hennepkwekerij die is aangetroffen in de – aan een derde verhuurde – woning van verzoekster. Dat lijkt een sterke contra-indicatie voor de goede trouw, maar het pakt toch anders uit. De rechtbank heeft onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat deze schuld niet te goeder trouw is ontstaan. De schuld is inmiddels vier jaar geleden ontstaan. Voldoende is komen vast te staan dat A niet zelf een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd en evenmin is gebleken dat zij daar anderszins financieel gewin bij heeft gehad. Het lag weliswaar op haar weg, als eigenaar van de woning, om te voorkomen dat deze zou worden verhuurd aan een partij die daarin een hennepkwekerij zou exploiteren, maar dat is onvoldoende om aan te nemen dat deze schuld niet te goeder trouw is ontstaan. Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat A ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de afgelopen vijf jaar te goeder trouw is geweest.

Beoordeling nakoming verplichtingen

Tenslotte is van belang in hoeverre A in staat is om de verplichtingen voortvloeiend uit de schuldsaneringsregeling na te komen. De rechtbank heeft, mede gelet op het negatieve advies van de curator, in dit verband wel aarzelingen, vooral ten aanzien van de nakoming van de informatieverplichting en de inspanningsverplichting. Beide verplichtingen zijn ter zitting uitgebreid besproken. A heeft zich ter zitting voldoende gemotiveerd getoond om serieus werk te maken van de schuldsanering om in aanmerking te komen voor de schone lei en van haar schulden af te komen. Zij heeft verklaard dat ze door haar meerderjarige kinderen geholpen zal worden bij het nakomen van de informatieverplichting en dat zij bij haar huidige werkgever fulltime kan gaan werken. Zij is zich er daarbij van bewust dat als zij de verplichtingen niet naar behoren na zou komen, de regeling tussentijds zal worden beëindigd zonder schone lei en ze vervolgens gedurende tien jaar geen beroep kan doen op de schuldsaneringsregeling. De rechtbank gunt haar het voordeel van de twijfel en wil haar een kans bieden om van haar schulden af te komen. De rechtbank heft het faillissement op, en spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit. Na drie jaar faillissement zal een termijnaftrek wel voor de hand liggen.

Bronnen: Rechtbank Rotterdam 21 juni 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6379, en Hoge Raad 13 maart 2015, ​ECLI:NL:HR:2015:589

* Mr. dr. G.H. Lankhorst is beleidsadviseur bij de Directie Rechtsbestel van het
Ministerie van Veiligheid en Justitie. Daarnaast is hij redactielid van het
Tijdschrift Schuldsanering en doceert en examineert Geert Lankhorst
in de Leergang Wsnp van OSR Juridische Opleidingen.

Vorig bericht
Column Geert Lankhorst * – Ex-ondernemer te goeder trouw : schulden uitsluitend door corona ontstaan
Volgend bericht
Column Geert Lankhorst * – Dwangakkoord jegens Belastingdienst afgewezen wegens gebrekkige voorbereiding schuldhulpverlening

Gerelateerde berichten

Niets gevonden.