Column Geert Lankhorst – Toelating statushouder tot schuldsaneringsregeling

Nieuws

In deze zaak is de verzoeker een vluchteling/statushouder die wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, nu volgens de rechtbank aannemelijk is dat zijn schulden te goeder trouw zijn ontstaan, en hij gezien zijn opleidingsniveau en afgeronde inburgeringscursus met enige hulp normaal zal kunnen deelnemen aan de maatschappij. Opmerkelijk is ook dat de rechtbank constateert dat sprake is van gebrekkige (schuld)hulpverlening door de gemeente, niet alleen bij het stopzetten van zijn uitkering, maar ook bij het uitblijven van ondersteuning bij sollicitatieactiviteiten in het kader van de Participatiewet en het tamelijk laat opstarten van schuldhulpverlening.

Verzoeker A heeft in Syrië tot de oorlog geologie gestudeerd en heeft na zijn vlucht naar Nederland de inburgeringscursus afgerond. A heeft een minnelijk schuldhulpverleningstraject gevolgd en vervolgens een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 29 maart 2021. Daarbij is verzoeker A gehoord. Verder is verschenen de schuldhulpverlener van de gemeente Stichtse Vecht. A ontvangt momenteel een Participatiewet-uitkering en toeslagen. De hulpverlening voor A werd in 2019 beëindigd en vervolgens niet adequaat opgepakt op het moment dat opnieuw problemen ontstonden bij het aanvragen van een uitkering.

Stopzetting uitkering en huurachterstanden

Het valt de rechtbank op dat de gemeente Stichtse Vecht de uitkering van A heeft stopgezet. Vervolgens regelde de gemeente alsnog hulp. Deze hulp kwam laat op gang, aldus de rechtbank, terwijl A al bij de hulpverlening bekend was en begin 2020 om hulp had gevraagd. Mede hierdoor zijn huurachterstanden ontstaan die de (beperkte) schuldenlast hebben doen toenemen. Vervolgens heeft de gemeente in de ogen van de rechtbank lang gewacht met de start van een minnelijk schuldhulptraject, dat uiteindelijk niet het gewenste resultaat heeft gehad.

Gebrekkige schuldhulpverlening

Pas nadat door de rechtbank op 13 oktober 2020 een minnelijk moratorium op grond van art. 287b Fw was ingesteld voor de duur van vier maanden heeft de gemeente getracht ten behoeve van verzoeker A een minnelijke schuldregeling tot stand te brengen. Tenslotte valt de rechtbank op dat de ondersteuning bij de sollicitatieverplichting in het kader van de Participatiewet-uitkering ook nog niet van de grond is gekomen. Als statushouder zou A die ondersteuning goed (hebben) kunnen gebruiken bij een spoedige en verdere integratie, en om zich voor te bereiden op een werkzaam leven.

Een bijzondere uitspraak

Het vonnis lijkt een standaarduitspraak over toelating en goede trouw, maar is dat niet. Wat in deze zaak toch wel opvalt, is dat iemand met een hoog opleidingsniveau die op zich tamelijk snel op eigen benen zou kunnen staan, in feite als gevolg van regelgeving en gebrekkige hulpverlening door de overheid c.q. bureaucratische verwikkelingen verder in de moeilijkheden raakt – en uiteindelijk door het tijdsverloop zoveel schulden opbouwt dat hij een beroep moet doen op de Wsnp, een wet waarvan de wetgever zelf uitdraagt dat het een “last resort”’ is. Voor wie nog aan het integreren is in een nieuw land en op de arbeidsmarkt kan een relatief beperkte schuld al snel een beletsel zijn om verder te komen, zeker als het vinden van betaald werk niet vlot lukt door taal- en sollicitatieproblemen. Het illustreert misschien ook dat soms juist een voortvarend beroep op de Wsnp de beste optie is om langslepende en oplopende schuldenproblematiek te voorkomen.

Verwachtingspatroon en goede trouw

Te verwachten is volgens de rechtbank dat verzoeker, met enige hulp, die hij tot nu toe niet of in te geringe mate heeft gekregen, op normale wijze zal kunnen deelnemen aan de maatschappij. Ten aanzien van verzoeker constateert de rechtbank dat voldaan is aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 van de Faillissementswet, namelijk dat de schulden te goeder trouw zijn ontstaan en-of onbetaald zijn gelaten. Van een andere grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken en de rechtbank spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit.

Bron: Rechtbank Midden Nederland (Utrecht), 30 maart 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:1380
Vorig bericht
Column Geert Lankhorst – Beschermingsbewindvoerder aansprakelijk voor laten doorlopen schuldenbewind na schone lei
Volgend bericht
Uitbreiding coronasteun door inzet Wsnp

Gerelateerde berichten

Niets gevonden.
Menu