Column Geert Lankhorst – Rotterdamse Rechtbank wijst WGS-afkoelingsperiode toe (breed minnelijk moratorium)

Nieuws

Sinds 1 april 2018 bestaat de mogelijkheid om een verzoekschrift op grond van artikel 5 Wet gemeentelijke schuldhulpverlening in te dienen bij de rechtbank voor een breed minnelijk moratorium. Binnen de minnelijke schuldhulp kan zo een “incasso-pauze” worden bewerkstelligd. Slechts mondjesmaat werd hier gebruik van gemaakt en nog nooit met succes. Maar deze zomer slaagde het nieuwe rechtsmiddel eindelijk. De gemeentelijke kredietbank Rotterdam stelde dat een gerechtsdeurwaarder een onjuiste beslagvrije voet toepaste bij loonbeslag en dat hij dit – ondanks diverse correctiepogingen van de kredietbank- niet wilde aanpassen. De rechtbank wees het verzoek om een brede minnelijke afkoelingsperiode toe (voor de duur van zes maanden) omdat het verzoek goed was voorbereid (waar het in eerdere zaken aan schortte). Want in deze zaak was voldoende aannemelijk gemaakt dat het moratorium noodzakelijk was voor een goede uitvoering van de schuldhulp, waren de overige schuldeisers gebaat bij het niet ontstaan van nieuwe schulden en het bereiken van financiële stabiliteit, en was voldoende aannemelijk dat de schuldenaren hun schuldhulpverplichtingen nakomen en dat budgetbeheer was opgestart, en was het inkomen voldoende om alle vaste lasten te voldoen en waren de schuldeisers aangeschreven.

Per direct een time-out

Bekend is dat burgers niet zelf een dergelijk verzoek mogen doen, maar dat het College van B&W (hier van Rotterdam) dat voor hen doet. Grondslag is artikel 5 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en artikel 2 van het Besluit breed moratorium. De rechtbank bepaalde direct na ontvangst van het verzoekschrift een soort “voorlopige time-out”, namelijk dat elke bevoegdheid van schuldeisers van verzoekers tot verhaal op de goederen van schuldenaren en tot opeising van goederen die zich in de macht van schuldenaren bevinden, werd opgeschort totdat op het verzoek door de rechtbank een beslissing zou zijn genomen.

Minnelijke schuldhulp net opgestart en standpunt crediteuren

De beide verzoekers waren zeer recent (op 1 juli 2019) toegelaten tot de schuldhulp van de Rotterdamse Kredietbank (KBR).  Alle schuldeisers waren door KBR aangeschreven voor opgave van de hoogte van hun vorderingen. De  gerechtsdeurwaarder zou een onjuiste beslagvrije voet hanteren bij het loonbeslag op het inkomen. Pogingen van de KBR om dat in goed overleg met deze deurwaarder te regelen leidden niet tot correctie van het te hoge loonbeslag. Zo ontstonden nieuwe schulden in de vaste lasten en kon de KBR niet inkomsten en uitgaven stabiliseren. De schuldeisers wachten al sinds 2016 op betaling, zoals vastgesteld door de rechtbank in april 2019, en vinden dat hun belang bij de tenuitvoerlegging van het beslag prevaleert boven het belang van de schuldenaren bij een afkoelingsperiode. Zij twijfelen aan de goede trouw: schuldenaren zouden mensen op het verkeerde spoor hebben gezet en bewust hebben misleid, en een van de schuldenaren heeft een strafrechtelijke veroordeling.

Rechtbank toetst aan de voorwaarden  

Het is de eerste keer dat een verzoek om een breed minnelijk moratorium wordt toegewezen in de rechtspraak. De Rotterdamse rechters stellen vast dat de in artikel 2 lid 3 van het Besluit voorgeschreven stukken aan de rechtbank zijn overgelegd. Hiermee is aan de formele vereisten voor het verzoek om een afkoelingsperiode voldaan. Daarop strandden eerdere verzoeken het afgelopen jaar. Redelijkerwijs is te voorzien dat in deze zaak de schuldenaren niet met het betalen van hun schulden zullen kunnen voortgaan (het gebruikelijke insolventie-criterium). Vervolgens moet er meer inhoudelijk worden getoetst aan drie maatstaven. Het verzoek moet op grond van artikel 3 lid 1 van het Besluit worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat:  a. de schuldenaar de uit de schuldhulp voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen, b. de afkoelingsperiode noodzakelijk is in het kader van de schuldhulpverlening en c. in het belang is van de gezamenlijke schuldeisers. Wat de voorwaarde sub a. betreft: De rechtbank acht de nakoming van de verplichtingen door schuldenaren voldoende aannemelijk op grond van de verklaring van KBR dat schuldenaren zich tot dusverre aan de verplichtingen van de schuldhulp hebben gehouden, dat het budgetbeheer is opgestart, dat het op basis van de beslagvrije voet berekende inkomen voldoende is om alle vaste lasten te voldoen en dat de schuldeisers zijn aangeschreven.

Noodzakelijkheid van de afkoelingsperiode en belang van de gezamenlijke schuldeisers

De rechtbank vindt verder dat KBR voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de afkoelingsperiode noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de schuldhulp aan beide schuldenaren. Een zwaar middel als een breed minnelijk moratorium – die schuldeisers volledig beperkt in hun verhaalsbevoegdheid – kan niet lichtvaardig worden toegewezen, zo zegt de Rechtbank. Dit instrument is slechts bedoeld voor situaties waarin andere beschikbare instrumenten niet helpen, en waarbij de schuldeisers, ondanks dat zij bekend zijn met de schuldhulp aan de schuldenaar, ervoor kiezen om verdere incassomaatregelen te treffen. KBR heeft onweersproken gesteld dat de gerechtsdeurwaarder een onjuiste hoogte van de beslagvrije voet bij het loonbeslag op het inkomen hanteert en ondanks verzoeken van KBR dit niet corrigeert. Zo wordt het in de ogen van de Rechtbank aan schuldenaren onmogelijk gemaakt om hun vaste lasten te voldoen en tijdens het schuldhulptraject geen nieuwe schulden te laten ontstaan. Dan leidt het beslag dus tot destabilisering, en dat frustreert het schuldhulptraject.

In de toelichting op het Besluit staat dat het voor de hand ligt dat crediteuren hun incassomaatregelen opschorten als schuldenaren zijn toegelaten tot de schuldhulp, omdat een incassomaatregel in dat geval zijn eigenlijke effect (een spoedige betaling) mist en alleen maar leidt tot nieuwe schulden. Hieruit vloeit ook voort dat de afkoelingsperiode in het belang is van de gezamenlijke crediteuren. Ook zij hebben er baat bij dat geen nieuwe schulden ontstaan en dat financiële stabiliteit wordt bereikt. Een dergelijke toetsing is nogal abstract van aard – niet op basis van de bijzondere feiten en omstandigheden – en het lijkt alsof dit altijd het geval is.

Rechtbank wijst het verzoek toe.

De Rechtbank oordeelt dat niet gebleken is van een van de afwijzingsgronden van artikel 3 sub 2 van het Besluit. En wat namens de verschenen schuldeisers naar voren is gebracht kan niet leiden tot afwijzing van het verzoek. KBR ziet in de namens de schuldeisers verstrekte informatie geen aanleiding te veronderstellen dat schuldenaren hun schuldhulpverplichtingen (waaronder de informatieplicht van artikel 4 sub a van het Besluit) niet naar behoren zullen nakomen. Dit leidt ertoe dat het verzoek moet worden toegewezen. De rechtbank is van oordeel dat KBR voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een afkoelingstermijn van 6 maanden noodzakelijk is. De rechtbank acht het proportioneel en noodzakelijk dat de afkoelingsperiode voor een termijn van 6 maanden wordt afgekondigd om KBR in de gelegenheid te stellen een goede schuldhulpverlening tot stand te brengen.

Verplichtingen voor de schuldenaren

Een vrijblijvende time-out kan het niet zijn voor de debiteuren. Al is de rol van de begeleidende schuldhulpverlener natuurlijk wel een andere dan die van toezichthouder, zoals een bewindvoerder die de nakoming van allerlei verplichtingen controleert. De rechtbank wijst erop dat uit het Besluit volgt dat tijdens de afkoelingsperiode in ieder geval als verplichtingen op de schuldenaren komen te rusten: de plicht om aan de gemeente, op verzoek of onverwijld uit eigen beweging, mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op de schuldhulpverlening, medewerking aan die schuldhulpverlening te verlenen, en mee te werken aan het beheer van hun boedel en schulden door de schuldhulpverlener, naar vermogen baten voor de boedel te verwerven, de lopende betalingsverplichtingen na te komen die voortvloeien uit verbintenissen strekkende tot levering van gas, water, elektriciteit en verwarming, tot verzekering van zorgkosten, opstal, wettelijke aansprakelijkheid en motorrijtuigen, alsmede verbintenissen tot betaling van huur of hypotheeklasten, en geen nieuwe schulden aan te gaan. Al deze verplichtingen zijn sterk geïnspireerd op de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Bron: Rechtbank Rotterdam, 19 juli 2019 ECLI:NL:RBROT:2019:5869

Vorig bericht
Presentaties Themadag Belastingdienst
Volgend bericht
Gesprek BBW met Rechtbank Oost-Brabant

Gerelateerde berichten

Niets gevonden.

Menu