Column Geert Lankhorst – “Onjuiste saldo-opgave en dwangakkoord”

De bank wordt – ondanks een eigen onjuiste saldo-opgave en het niet reageren op herhaalde informatieverzoeken van de schuldhulpverlener – toch niet bevolen om in te stemmen met een minnelijk aanbod tot schuldenregeling. De aanvankelijke saldo-opgave werd pas na een jaar met bijna € 20.000,- verhoogd. En dat nadat er een minnelijk aanbod was gedaan. Onderbouwing van deze verhoging blijft uit en de bank wordt daarop als enige weigerachtige crediteur beschouwd. Het verzoek dwangakkoord wordt niettemin afgewezen ook al zou de bank bij een correcte hoger ingediende vordering een lager percentage hebben ontvangen. Het minnelijke aanbod is nu eenmaal gebaseerd op een onjuiste te lage schuldenlast, aldus de Rechtbank, ook al ligt dat in de risicosfeer van de bank. Wel wordt verzoeker subsidiair toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

Onjuiste saldo-opgave door bank aan schuldhulp

Een opmerkelijke recente casus waarin een hoop tijd en moeite verloren gaat doordat de bank foutieve informatie bij de start van het schuldhulptraject geeft. Zo is een minnelijk traject gedoemd te mislukken. Zou je een zodanige frustratie van het minnelijke traject toch niet kunnen beschouwen als een onredelijke weigering ? De rechtbank straft dit niet af met een dwangakkoord. Wat ging er dan mis ? Op 27 oktober 2020 is door verzoeker X tegelijk met een schuldsaneringsverzoek een verzoek ingediend voor een dwangakkoord ex art. 287a Fw. Ter terechtzitting van 21 januari 2021 is X vergezeld van zijn beschermingsbewindvoerder en schuldhulpverlener gehoord. Verweerster ABN AMRO Bank heeft schriftelijk verweer gevoerd. Volgens de schuldenlijst heeft X een totale schuld van € 137.740,72 aan 7 schuldeisers. De bank heeft bij brief van 29 augustus 2019 haar vordering bij de schuldhulpverlening aangemeld voor een bedrag van € 28.232,53. Voor dit bedrag staat de schuld op de schuldenlijst van X genoteerd. Op 9 juni 2020 is namens X aan alle crediteuren een voorstel tot een (prognose)akkoord gedaan waarbij de preferente crediteuren 52,69% en de concurrente crediteuren 26,35% tegen finale kwijting wordt aangeboden. Naar aanleiding van dit aanbod heeft de bank om nadere informatie verzocht bij de schuldhulp. De schuldhulpverlener heeft hier per mail van 28 juli 2020 op gereageerd. Bij brief van 10 augustus 2020 heeft de bank de schuldhulpverlener weer een e-mail gestuurd. Daaruit blijkt dat bij de bank geconstateerd is dat haar eigen saldo opgave van een jaar geleden onjuist was. Navraag bij hun incassopartner wees namelijk uit dat het saldo veel hoger is, namelijk € 47.829,43. De bank wenst daarom een nieuw voorstel. De verbaasde schuldhulpverlener verzocht een aantal malen om een onderbouwing van deze verhoogde vordering, maar daar werd niet op gereageerd. De schuldhulpverlener heeft de bank vervolgens laten weten haar om die reden als weigerachtige schuldeiser aan te merken. Dat is een begrijpelijke aanpak: de schuldregeling is behalve door de bank door alle andere schuldeisers aanvaard, en op deze manier wordt de zaak getraineerd.

 

Dan maar een verzoek dwangakkoord

X stelt dat de bank in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot een weigering van de medewerking aan de schuldregeling die hij heeft aangeboden, nu de andere schuldeisers wel hebben ingestemd met de aangeboden schuldregeling en zijn aanbod het maximaal haalbare is. De bank heeft achteraf, na indiening van de vordering bij de schuldhulpverlener, de vordering bij haar incassogematigde geverifieerd. De vordering bleek zoals gezegd niet € 28.788 te bedragen, maar € 48.385. De bank realiseert zich dat haar incassopartner tekort is geschoten de schuldhulp te voorzien van informatie omtrent de hoogte van de gewijzigde vordering. En betreurt het dat dossier en traject hierdoor onnodig zijn gefrustreerd. De bank is van mening dat dit echter niet zo zwaar mag wegen dat zij haar rechten daarmee verspeelt. De bank stelt dat het niet juist is dat zij niet wil meewerken aan een minnelijk akkoord, maar dat zij heeft gevraagd om een hernieuwd voorstel, waaraan de schuldhulp geen gevolg heeft gegeven. Gezien de omstandigheden van X en de motivering van het voorstel acht de bank de kans dat zij alsnog akkoord gaat groot. Wel acht de bank het van belang dat de correcte hoogte van haar vordering wordt meegenomen in het voorstel.

Verhouding met overige schuldeisers

Gebleken is dat de vordering van de bank aanzienlijk hoger is (€ 47.289) dan zij in eerste instantie bij de schuldhulpverlening heeft aangemeld (€ 28.232). Nu de verhoogde vordering pas twee maanden ná ontvangst van het aanbod aan de schuldhulp kenbaar is gemaakt, heeft de schuldhulp in het aangeboden akkoord hiermee geen rekening kunnen houden. Hoewel de bank daags voor de zitting heeft laten weten van plan te zijn in te stemmen met een op het verhoogde bedrag van haar vordering gebaseerd en aangepast voorstel, heeft die toezegging geen enkele praktische waarde, zo zegt de rechtbank. Een hogere vordering brengt immers een hogere totale schuldenlast met zich mee, zodat – gelet op de beschikbare spaarcapaciteit van X – alle schuldeisers een nieuw, en dus lager, voorstel zou moeten worden voorgelegd. Mogelijk was die gelegenheid er geweest als de bank direct nadat zij haar vergissing had vastgesteld, antwoord had gegeven op de (terechte) vragen van de schuldhulpverlener. Daags voor de zitting is die ruimte, gezien de duur en vereiste inspanningen inherent aan het minnelijk traject, er in ieder geval niet meer, zo vermanen de rechters.

Hogere vordering zou lagere uitkering hebben betekend

De rechtbank heeft ter zitting de bank telefonisch gehoord en haar in overweging gegeven alsnog akkoord te gaan met de schuldregeling voor de oorspronkelijk aangemelde vordering van € 28.232. Zeker nu het doorgeven van een onjuiste vordering en het vervolgens niet nader informeren van de schuldhulpverlener voor rekening en risico van de bank dient te komen en niet van de debiteur, zo gaat de rechtbank verder. Het vonnis lijkt zo de richting op te gaan van een bevel ex art. 287a Fw, maar dat wordt toch niet de uitkomst. De bank geeft aan dat zij wel akkoord wil gaan met een buitengerechtelijke schuldregeling, maar wel tegen een juiste notering van de vordering. Dat de bank – als een hernieuwd voorstel zou zijn gedaan – dan een lager percentage uitgekeerd had gekregen, doet daar volgens de bank niet aan af. Nu het aanbod is gebaseerd op een onjuiste opgave van haar vordering, volhardt de bank in weigering.

Afwijzing dwangakkoord, maar toewijzing Wsnp-verzoek

Het aanbod dat aan de crediteuren is gedaan, is en blijft gebaseerd op een onjuiste (want te lage) schuldenlast. Dat is de feitelijke basis en geeft kennelijk de doorslag, ook in deze omstandigheden die de bank geheel aan zichzelf te wijten heeft. Het betekent volgens de rechtbank dat, nu nakoming van het gedane aanbod niet is gewaarborgd, het verzoek moet worden afgewezen. De verzoeker heeft laten weten het verzoek schuldsanering te handhaven, als het verzoek dwangakkoord wordt afgewezen. Dit verzoek tot toepassing van de schuldsanering is bij afzonderlijk vonnis toegewezen, met een vaststelling van de looptijd op anderhalf jaar (ECLI:NL:RBDHA:2021:639). Deze verkorte duur vormt dan weer een tegemoetkoming in de verloren tijd in het minnelijke traject. De rechtbank wijst het primaire verzoek dwangakkoord dus af, maar laat verzoeker subsidiair wel toe tot de schuldsanering.

Bron: Rechtbank Den Haag 28 januari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:638

Vorig bericht
Algemene ledenvergadering 17 mei 2021
Volgend bericht
Uitbetaling en overnemen schulden voor ouders in de MSNP en WSNP

Gerelateerde berichten

Niets gevonden.

Menu