Column Geert Lankhorst – Banksaldo bij aanvang WSNP mag door de bewindvoerder deels vrijgelaten worden

Nieuws

In de schuldsaneringsregeling valt het gehele vermogen in de boedel, naar de letter van de wet, dus ook het banksaldo dat bedoeld is voor de lopende maandelijkse verplichtingen. In de praktijk wordt deze regel door de rechter-commissaris per rechtbank nogal eens verschillend toegepast. Soms valt alles in de boedel, en soms mag een aanvangsbedrag worden vrijgelaten voor de eerste maandelijkse verplichtingen. In een strikte opvatting dat werkelijk alles in de boedel valt, start het Wsnp-traject in de praktijk bijna onvermijdelijk met nieuwe schulden. De Hoge Raad geeft omwille van de rechtsgelijkheid een uniforme regel. Namelijk  dat de bewindvoerder, zolang de debiteur nog niet beschikt over het vrij te laten bedrag, een deel van het saldo mag vrijlaten ten behoeve van de debiteur voor de kosten van levensonderhoud en de vaste lasten. Een afweging die de bewindvoerder dus maken mag.

Wat eraan vooraf ging

Bij beschikking van 16 juli 2014 zijn de goederen die aan schuldenaar A (zullen) toebehoren onder bewind gesteld. De huidige beschermingsbewindvoerder is bij beschikking van 24 februari 2016 benoemd. Bij vonnis van 20 november 2018 is de schuldsaneringsregeling uitgesproken voor A. In het aanvangsverslag van de bewindvoerder is bij ‘Bank- en/of spaarrekeningen’ het volgende opgenomen: “Beheerrekening ING (…) met een saldo van € 987,00 per datum uitspraak WSNP. Daags na de uitspraak volgt regulier betaling. Ik stel mij op standpunt dat saldo alsnog aan de boedelrekening wordt gestort.” Onder het kopje ‘Verzoeken R-C’ is opgenomen: “Graag uw akkoord om aanvangssaldo van € 987,00 geheel aan de boedelrekening te storten.” De rechter-commissaris heeft zijn akkoord gegeven. Dit is in feite geen afwijkende gang van zaken.

Klacht door de beschermingsbewindvoerder

Vervolgens heeft de beschermingsbewindvoerder op de voet van art. 317 Fw aan de rechter-commissaris verzocht om alsnog te bepalen dat het beginsaldo niet aan de boedel hoeft te worden afgedragen. Subsidiair verzocht de beschermingsbewindvoerder om de Wsnp-bewindvoerder op te dragen de betalingen van de vaste lasten te vernietigen en te bepalen dat een bedrag van € 544,03 niet aan de boedel hoeft te worden afgedragen, of te bepalen dat een bedrag gelijk aan de beslagvrije voet buiten de boedelafdracht valt. In reactie op het verzoek is aan de beschermingsbewindvoerder medegedeeld dat de rechter-commissaris de beslissing (gehele startsaldo afdragen aan Wsnp-boedel) handhaaft. En de rechtbank Limburg heeft bij beschikking van 15 december 2020 een hoger beroep afgewezen. Hiertegen gaat de beschermingsbewindvoerder in cassatieberoep.

Even theorie repeteren

De Hoge Raad schetst allereerst hoe het wettelijk kader inelkaar steekt – voor de ervaren bewindvoerder en trouwe lezers van de BBW-nieuwsbrief gesneden koek, maar toch. Bij toepassing van de schuldsaneringsregeling verliest de schuldenaar de bevoegdheid om over de tot de boedel behorende goederen te beschikken (art. 296 lid 1 Fw). De schuldenaar is verplicht om alle goederen die tot de boedel behoren op verzoek van de bewindvoerder aan hem ter beschikking te stellen (art. 296 lid 2 Fw). De boedel omvat alle goederen van de schuldenaar ten tijde van de toelating, alsmede de goederen die hij tijdens die regeling verkrijgt (art. 295 lid 1 Fw, nader uitgewerkt in art. 295 leden 2 tot en met 6 Fw). Opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om de kosten van levensonderhoud en de vaste lasten te voldoen, wordt van het inkomen en de periodieke uitkeringen die de schuldenaar verkrijgt, een ‘vrij te laten bedrag’ buiten de boedel gelaten (art. 295 leden 2 en 3 Fw).

Hoge Raad: nieuwe schulden zijn riskant en bedreigen de kans op een schone lei

Indien de schuldenaar tijdens de schuldsaneringsregeling bovenmatige schulden doet of laat ontstaan, kan dat grond opleveren om de schuldsanering tussentijds te beëindigen zonder ‘schone lei’, dat wil zeggen zonder dat de resterende schulden niet-afdwingbaar worden (art. 350 lid 3, onder d, Fw en art. 358 leden 1 en 2 Fw). Waar de financiële middelen van de schuldenaar bij aanvang van de schuldsanering in beginsel volledig in de boedel vallen en de schuldenaar meestal pas enige dagen of weken nadien de beschikking krijgt over het eerste vrij te laten bedrag, kan hij de kosten van levensonderhoud en de vaste lasten in de tussenliggende periode bezwaarlijk anders voldoen dan door het aangaan van nieuwe schulden. Dat is onwenselijk, gelet op de mogelijkheid dat de schuldenaar daardoor uiteindelijk geen schone lei zal krijgen.

Vergelijkbare wettelijke regeling

De Hoge Raad trekt dan een interessante vergelijking. Een vergelijkbaar probleem doet zich, aldus de Hoge Raad,  buiten de schuldsaneringsregeling voor indien op de bankrekening van een schuldenaar beslag is gelegd. De wetgever heeft hiervoor in art. 475a lid 5 Rv een regeling getroffen, die erop neerkomt dat van het saldo op de bankrekening een bedrag ter grootte van de toepasselijke beslagvrije voet buiten het beslag blijft. De regeling houdt met het oog op een eenvoudige uitvoering geen rekening met de tijdsspanne totdat de schuldenaar weer inkomen of een periodieke uitkering ontvangt. Uit de parlementaire stukken valt niet af te leiden waarom de wetgever voor de schuldsaneringsregeling niet ook in een dergelijke regeling heeft voorzien.

Bewindvoerder krijgt een beslissingsruimte en saniet heeft klachtrecht

Gelet op de geconstateerde onwenselijkheid dat de schuldenaar zich in de periode direct na toelating tot de schuldsanering genoodzaakt ziet nieuwe schulden aan te gaan, moet ervan worden uitgegaan dat (cursivering auteur) de bewindvoerder kan bepalen dat de schuldenaar een deel van de bij aanvang van de schuldsanering tot de boedel behorende financiële middelen niet hoeft af te dragen. Namelijk voor zover dat noodzakelijk kan worden geacht om, zo lang de schuldenaar nog niet beschikt over het eerste vrij te laten bedrag, de kosten van levensonderhoud en vaste lasten te voldoen. Met andere woorden: een tijdelijke vrijstellingsbevoegdheid in afwachting van het eerste VTLB. Bij verschil van inzicht hierover kan de schuldenaar op de voet van het normale klachtrecht (art. 317 Fw) verzoeken om een beslissing van de rechter-commissaris.

Bron: Hoge Raad 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1670, conclusie Advocaat-Generaal in  ECLI:NL:PHR:2021:207 en 809, conclusie gevolgd

Vorig bericht
Update toeslagaffaire en afwikkeling Wsnp-dossiers
Volgend bericht
Column Geert Lankhorst * – Minnelijk spaarsaldo moet worden meegenomen in berekeningen dwangakkoord

Gerelateerde berichten

Niets gevonden.