Column Geert Lankhorst * – Afwijzing toelating en hardheidsclausule mede als gevolg van de gewijzigde wetgeving per 1 juli 2023 niet toegepast

Nieuws

Verzoeker heeft op 7 augustus 2023 een verzoekschrift schuldsanering ingediend. Hij is op 25 augustus 2023 door de rechtbank Midden-Nederland (locatie Lelystad) op een zitting gehoord, waarbij naast hijzelf ook zijn beschermingsbewindvoerder en de schuldhulpverlener zijn verschenen. Uit de stukken blijkt dat er een totale schuldenlast is van € 73.896,14.

Geschil

De verzoeker heeft onder andere een schuld uitstaan aan de woningcorporatie tot een bedrag van € 26.826,74. Deze vordering is in 2021 ontstaan, dus binnen de goede trouw toetsingstermijn. Uit de verklaring ter zitting van verzoeker en van de beschermingsbewindvoerder is gebleken dat deze vordering is ontstaan als gevolg van een gedwongen ontruiming van de woning, nadat in de woning (onder meer) drugs waren aangetroffen.

Goede trouw, onbetaald laten en toetsingstermijn

De rechtbank Midden-Nederland overweegt allereerst dat volgens artikel 288 lid 1 sub b Faillissementswet (nieuw) het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling alleen kan worden toegewezen als voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaren voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift werd ingediend. In het wettelijke regime van voor 1 juli 2023 bedroeg die rechterlijke toetsingsperiode nog vijf jaren. Het is overigens niet helemaal duidelijk of het deelcriterium “onbetaald laten van de schulden” uit artikel 288 lid 1 sub b ook betrekking kan hebben op een (onbetaald gelaten) schuld die ouder is dan die huidige toetsingstermijn van drie jaar: dat zou het goede trouw criterium flink strenger maken. Het zal dan echt moeten gaan om het onbetaald laten op een wijze die niet te goeder trouw is, bijvoorbeeld dat men wel aantoonbaar over voldoende middelen beschikte om de schuld (deels) af te lossen, maar dat men de voorkeur heeft gegeven aan eigen consumptieve doeleinden.

Geen goede trouw

Hoe dit ook zij: Uit de verklaring van verzoeker ter zitting en uit de, met zijn toestemming opgevraagde, justitiële documentatie is gebleken dat verzoeker daadwerkelijk is veroordeeld voor drugsgerelateerde activiteiten rond de periode dat hij uit de woning is gezet. Dat maakt naar het oordeel van de rechtbank dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij het ontstaan en onbetaald laten van de schuld aan de woningcorporatie te goeder trouw is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is dit voldoende grond om het verzoek af te wijzen. Op grond van artikel 288 lid 3 Fw kan echter het verzoek alsnog worden toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden onder controle heeft gekregen.

Hardheidsclausule

Uit hetgeen verzoeker ter zitting heeft verklaard is duidelijk geworden dat hij nog steeds alcohol en drugs gebruikt, waarbij hij de gebruikte hoeveelheden (alcohol) en frequentie (drugs) bagatelliseert. Naar het oordeel van de rechtbank toont hij hiermee niet dan wel onvoldoende aan dat er sprake is van een wending ten goede – dat wil zeggen het enige tijd onder controle hebben van het middelengebruik. De rechtbank benadrukt vervolgens dat per juli 2023 de wetgeving inzake de wettelijke schuldsaneringsregeling gewijzigd, en dat in de Kamerstukken II 35915, MvT nr. 3 ten aanzien van de ommekeer ten goede in relatie tot de hardheidsclausule het volgende is opgenomen:

‘Daarbij zal het uitgangspunt zijn dat de hardheidsclausule in beginsel niet zal worden toegepast. […] Een dergelijke verandering (‘ommekeer ten goede’) is moeilijk te realiseren binnen een zo korte periode. Daarom zal de hardheidsclausule ook alleen in duidelijke uitzonderingsgevallen worden toegepast.’

Van een uitzonderingsgeval is in dit geval in de ogen van de rechtbank geen sprake. Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen. Het lijkt in dit geval met deze feiten een goed begrijpelijke beslissing, maar ook een beslissing waarvoor een aanvullende algemene overweging onnodig is over het karakter van de hardheidsclausule onder het regime van de nieuwe wettelijke regels.

Wending ten goede

De hardheidsclausule van art. 288 lid 3 Fw was natuurlijk altijd al een uitzondering op een beginsel, en werd altijd al met terughoudendheid toegepast. Voor de verzoeker gold (en geldt) daarom een zware bewijslast om de wending ten goede aannemelijk te maken, waarbij het rechterlijk beleid is om (zonder de wetgeving dat zo eist) als gestabiliseerde periode een jaar te eisen. In het licht van de halvering van de schuldsaneringstermijn per 1 juli 2023, en gegeven de uitdrukkelijke wens van de wetgever om de Wsnp toegankelijker te maken, ook met de verkorte goede trouw toetsingstermijn van 3 jaar, en het Kamerbrede versnellingsstreven bij de oplossing van problematische schulden, kan men zich eerder afvragen of die (oude) stabiliteitsperiode van 1 jaar niet wat aan de lange kant is, dan de toepassing van de hardheidsclausule nog lastiger maken dan die al is. Voor wie zich in een problematische schuldensituatie bevindt is het bijna onmogelijk om een heel jaar lang in alle opzichten (persoonlijk, financieel, situationeel) stabiel te blijven. Zonder beschermingsbewind, professionele hulp en-of een sociaal netwerk is dat nauwelijks te doen. Bekend is dat een schuldsanering in dat proces een grote steun in de rug kan zijn. De veilige optie blijft om – als het gaat om toepassing van de hardheidsclausule na 1 juli 2023 – nog steeds de termijn van (bijna) een jaar te blijven hanteren voor de “wending ten goede” c.q. gedragswijziging, gedurende welke periode de debiteur het ontstaan en onbetaald laten van de schulden onder controle dient te hebben. Maar onder de gewijzigde wetgeving kan goed beargumenteerd worden dat aan art. 288 lid 3 Fw een grote rol blijft toekomen. In 3 jaar tijd kan er veel veranderen in een mensenleven, en dan kan een schuldsanering het nodige vertrouwen geven en de stabiliteit bestendig maken. Dat lijkt praktischer dan de Wsnp in te zetten als een schaarse beloning voor de kleine doelgroep die op eigen kracht reeds zijn of haar leven op orde heeft gebracht.

Bron: Rechtbank Midden-Nederland (Lelystad) 7 september 2023; ECLI:NL:RBMNE:2023:4628

* Mr. dr. G.H. Lankhorst is beleidsadviseur bij de Directie Rechtsbestel van het
Ministerie van Veiligheid en Justitie. Daarnaast is hij redactielid van het
Tijdschrift Schuldsanering en doceert en examineert Geert Lankhorst
in de Leergang Wsnp van OSR Juridische Opleidingen.

Vorig bericht
DirectPay en Wsnp
Volgend bericht
Column Geert Lankhorst * – Stress bij onderbewindgestelde; bewindvoerder aansprakelijk

Gerelateerde berichten

Niets gevonden.
keyboard_arrow_up