Column Geert Lankhorst

Nieuws

Dwangakkoord / fictieve weigering / schuldeiser onvindbaar

Elvis Presley zong het al: “Return to sender / address unknown”. In deze casus ging het echter niet om een onbestelbare brief aan een geliefde, maar (minder romantisch) om een onbestelbare brief aan een schuldeiser. Diverse tevergeefse verzoeken waren gedaan om een reactie op een minnelijke schuldenregeling. Ook een oproep van de Rechtbank voor de dwangakkoord-zitting kwam retour. Wat deed de Haagse Rechtbank met deze spoorloze schuldeiser ?

Een minnelijk schuldenaanbod zonder reactie

B heeft op 6 februari 2019 een verzoek ingediend tot het bevelen in te stemmen met een door haar aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a Fw. Ter terechtzitting van 11 maart 2019 is zij hierover gehoord, alsmede haar schuldhulpverlener en haar budgetbeheerder. Namens verweerder X is niemand verschenen, hoewel behoorlijk opgeroepen. Deze schuldeiser was laatstelijk bekend gevestigd te Gouda. B heeft een totale schuld van maar liefst € 137.956,46 aan twaalf schuldeisers. De vordering van X op B bedraagt € 65.265,88, en dat is 47,3% van de totale schuldenlast. Uit de aangeboden schuldregeling blijkt dat B een maandelijks inkomen heeft uit een uitkering van € 1.009,41 en dat voor haar een vrij te laten bedrag is berekend van € 1.022,81. Dus onder de huidige omstandigheden is maandelijks – afgezien van een klein bedrag aan af te dragen vakantiegeld – geen bedrag voor betaling aan schuldeisers beschikbaar. Vanwege de bewindvoerdersvergoeding kan onder de huidige omstandigheden sowieso in de schuldsanering niets worden gespaard, zo betoogt B.

Maximale schuldregeling aangeboden

Namens B is bij brief van 2 juli 2018 een schuldregeling aangeboden, inhoudende dat aan de (concurrente) schuldeisers een uitkering wordt gedaan van 1,3% tegen finale kwijting van het restant van hun vorderingen. De aangeboden schuldregeling is door de elf andere schuldeisers aanvaard. B stelt dat X in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot een weigering van de medewerking aan de schuldregeling die zij heeft aangeboden. Zij heeft een Wajong-uitkering en volgens het UWV geen arbeidsvermogen. Zij heeft het maximale aangeboden aan haar schuldeisers. Crediteur X, wiens vordering kennelijk wel bekend is, heeft niet gereageerd op het voorstel; diverse brieven zijn retour gekomen. Ook verschillende andere pogingen om in contact te komen zijn mislukt, verweerder X is onvindbaar. Van X is geen informatie ontvangen. De oproep van de rechtbank is ook retour gekomen. De rechtbank gaat over tot een beoordeling van het verzoek om een dwangakkoord.

Het beginsel en de uitzondering.

Inmiddels klassiek uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt betaald. Dat is de hoofdregel die voorop blijft staan. Een schuldeiser kan slechts onder bijzondere omstandigheden gedwongen worden om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling die ertoe zal leiden dat door de schuldeisers afstand moet worden gedaan van een deel van een vordering. Een verzoek om weigerachtige schuldeisers te bevelen toch met de aangeboden schuldregeling in te stemmen zal slechts kunnen worden toegewezen als de schuldeisers in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen. Dat is de uitzondering op de hoofdregel en dat vraagt om een belangenafweging. Daarbij weegt mee enerzijds de onevenredigheid tussen het belang van X bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en anderzijds de belangen van B of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.

Concrete gezichtspunten ter invulling van de belangenafweging

Ter invulling van deze onevenredigheidsnorm oordeelt de rechtbank als volgt. Bij de belangenafweging ex artikel 287a Fw, zullen onder meer de volgende omstandigheden een rol kunnen spelen (zie ook de conclusie van A-G Timmerman voor HR 14 december 2012, LJN BY0966, nr. 2.6. e.v.). Dit zijn overigens geen cumulatieve vereisten, maar meer aanknopingspunten voor een rechterlijke redenering over de mogelijke onevenredigheid van belangen. Op deze checklist van de rechter staat vermeld:

– is het schikkingsvoorstel door een onafhankelijke en deskundige partij getoetst (bijvoorbeeld een gemeentelijke kredietbank);

– is het schikkingsvoorstel goed en betrouwbaar gedocumenteerd;

– is voldoende duidelijk gemaakt dat het aanbod het uiterste is waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht;

– biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de schuldenaar;

– biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de schuldeiser: hoe groot is de kans dat de weigerende schuldeiser dan evenveel of meer zal ontvangen;

– wat is de zwaarte van het financiële belang dat de schuldeiser heeft bij volledige nakoming;

– hoe groot is het aandeel van de weigerende schuldeiser in de totale schuldenlast;

– staat de weigerende schuldeiser alleen naast de overige met de schuldregeling instemmende schuldeiser.

Prognoseakkoord met waarborgen

Ter zitting is voldoende komen vast te staan – zo redeneren de Haagse rechters – dat het aanbod dat namens B is gedaan het maximaal haalbare is. Zij ontvangt inkomen uit een Wajong-uitkering. Blijkens een verzekeringsgeneeskundige rapportage van het UWV van september 2017 heeft zij duurzaam geen arbeidsmogelijkheden. Er is geen aanleiding (geweest) voor een herkeuring en niet gebleken is dat haar situatie binnenkort zal verbeteren. De rechtbank stelt vast dat het buitengerechtelijk akkoord dat nu voorligt – vergeleken met een wettelijke schuldsaneringsregeling – in verband met de kosten die samenhangen met de  schuldsanering al op grond van de huidige inkomsten tot een gunstiger resultaat voor de schuldeisers leidt. Mocht B toch kunnen gaan werken én daarmee afloscapaciteit genereren, dan geldt in de eerste plaats dat ook dan niet aannemelijk is dat die inkomsten dermate hoog zullen zijn dat, na aftrek van de boedelkosten, meer zal overblijven dan wat nu met een prognoseakkoord wordt aangeboden. In de tweede plaats geldt dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat controle op de maximale inbreng van haar afdrachten is gewaarborgd. Hierbij is van belang dat het gaat om een prognoseakkoord. De rechtbank gaat er vanuit dat bij de uitvoering van het akkoord zal worden gehandeld overeenkomstig de Gedragscode Schuldregeling van de NVVK, en dat er dus op zal worden toegezien dat B gedurende de looptijd van het akkoord aantoonbare inspanningen verricht om haar inkomsten te vergroten en te behouden, dat zal worden gecontroleerd of zij de eventuele aflossingscapaciteit volledig inbrengt, dat periodiek de hoogte van het vtlb (en dus de aflossingscapaciteit) zal worden bepaald en dat de schuldeisers geïnformeerd zullen worden. Het belang van de andere schuldeisers is, evenals het belang van X, gelegen in de betere vooruitzichten bij de aanvaarding van de aangeboden schuldregeling dan bij verwerping daarvan. Het belang van B is gelegen in het feit dat zij buiten het wettelijk traject haar schulden kan regelen, wat overeenkomt met wat de wetgever met de gedwongen schuldregeling heeft beoogd. Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat X – ook al heeft hij een aanzienlijke vordering en een niet gering aandeel in de totale schuldenlast – in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen.

Onvindbare schuldeiser = Fictieve weigering

In dit verband overweegt de rechtbank dat wordt uitgegaan van een fictieve weigering, omdat X in het geheel niet heeft gereageerd en overigens onvindbaar is. Het is juridisch dus niet: wie zwijgt stemt toe, maar: wie zwijgt weigert. Het is kennelijk onmogelijk gebleken een recent adres te vinden of telefonisch contact te krijgen. In dit verband heeft de schuldhulpverlener onder meer op internet en in het handelsregister gezocht. Gebleken is dat het laatst bekende adres van verweerder hetzelfde adres is waarop een bepaald ander bedrijf is ingeschreven in het handelsregister. Een vordering van verweerder is evenwel – desgevraagd – niet bekend bij dat bedrijf. Inmiddels zijn ook dat bedrijf en diens diverse vestigingen uitgeschreven uit het handelsregister. Nu X ook niet ter zitting is verschenen om haar standpunt te bepleiten, is dus geen verweer bekend waarmee bij de belangenafweging rekening moet worden gehouden. De primair verzochte dwangregeling zal worden toegewezen, en in het subsidiaire verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal B niet-ontvankelijk worden verklaard, nu zij geen belang meer heeft bij dat verzoek.

Bron: Rechtbank Den Haag 25 maart 2019 ECLI:NL:RBDHA:2019:2888

Vorig bericht
KEI/Spirit
Volgend bericht
Column Geert Lankhorst

Gerelateerde berichten

Niets gevonden.

Menu